
‘Veel partijen in de bouwkolom wekken de indruk dat ze duurzaam bezig zijn. In de praktijk valt het tegen.’ Prikkelende uitspraken zijn prof. dr. ir. Michiel Haas (63), directeur van het Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie (NIBE) en hoogleraar Materials & Sustainability aan de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen van de TU Delft, niet vreemd. Net zomin als bevlogenheid en de oprechte wil iets voor de wereld te betekenen.

Het NIBE wil ‘een bijdrage leveren aan een vreedzame, gezonde, veilige, duurzame en ethische samenleving, waarin gelijke rechten gelden voor al wat leeft’. Een idealistische missie. Waarom?
‘Hij is ontstaan vanuit mijn werk als architect. Toen het Nationaal Milieubeleidsplan uitkwam, waarin voor het eerst milieu in de bouw aan de orde kwam, was er behoefte aan mensen met kennis op dat terrein. Ik was uit interesse al met het onderwerp bezig. Als architect kon ik honderd duurzame woningen bouwen, maar ook honderd architecten léren dat te doen. Vanuit die gedachte heb ik in 1990 het NIBE opgericht. NIBE wil nationaal en internationaal koploper zijn in techniek, wetenschap en haalbaarheid inzake milieubewust en gezond bouwen. We kunnen deze wereld nog heel veel mooier maken en daarin wil ik, samen met anderen, iets betekenen.’

Prof. dr. ir. Michiel Haas (63), directeur van het Nederlands Instituut voor Bouwbiologie en Ecologie (NIBE) en hoogleraar Materials & Sustainability aan de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen van de TU Delft.

Krijgt milieubewust en gezond bouwen in Nederland voldoende aandacht?
‘We staan pas aan het begin van de ontwikkeling van een vakgebied waarvan nog niet iedereen zich het belang realiseert. De milieubelasting van producten wordt de komende jaren ‘hot’, maar mijn leerstoel – die precies dat onderwerp van onderzoek heeft – was de afgelopen vijf jaar leeg. Vooralsnog vul ik, samen met een collega, 70% van een voltijdfunctie in. Dat is in mijn optiek een krukje. Ik hoop van harte er in mijn periode aan de TU Delft weer een echte stoel van te kunnen maken. Ook in de bouw, de sector waar het in mijn onderzoek om draait, gebeurt nog heel weinig, terwijl partijen zich er terdege van bewust zijn dat ze zich in duurzame richting zouden moeten ontwikkelen.’
Veel producenten wekken wel de indruk dat ze duurzaam bezig zijn. Een farce?
‘Het is maar hoe je het bekijkt. Er zijn instrumenten op de markt die duurzaamheid meten, zowel op gebouw- als op productniveau. Daarnaast groeit de behoefte aan een certificaat dat gebouwen classificeert als al dan niet duurzaam. Voor een producent is het in de regel aangenaam op gebouwniveau te kijken, maar dat is nogal oneerlijk. Neem schilderwerk: dat maakt een fractie uit van de totale milieubelasting van een gebouw, dus het soort verf dat je gebruikt maakt eigenlijk niet uit; niet bepaald een stimulans tot innovatie. In mijn optiek moet je ook altijd kijken naar elk toegepast product afzonderlijk.’
Dan moet van elk bouwproduct dat in Nederland op de markt is, de milieubelasting op een objectieve manier worden vastgelegd. Is dat haalbaar?
‘Sterker: het aanleggen van een database is in volle gang. Deze ‘nationale database bouwproducten’ moet de basis worden voor alle duurzaamheidinstrumenten. Per product wordt een breed scala milieueffecten in cijfers vastgelegd. De vraag is daarbij wel weer hoe ver je gaat. We hebben bijvoorbeeld besloten het gebruik en de ecologische aantasting van land niet mee te nemen, maar die kunnen in bepaalde gevallen wél invloed hebben op de milieubelasting die een product teweeg brengt. Ook kapitaalgoederen laten we buiten beschouwing. Dat leidt tot de vreemde situatie dat we bijvoorbeeld wel het effect van de dieselolie meewegen die nodig is voor transport, maar niet het produceren van de vrachtwagen of de aanleg van de weg. Er is dus altijd basis voor discussie.’
'De vraag die producent en afnemer zich moeten stellen, is wat prevaleert: economie of ecologie.’

Waarschijnlijk ís die discussie er ook.
‘Inderdaad. De metaalindustrie bijvoorbeeld oefent momenteel stevige druk uit rond het vraagstuk van hergebruik van staal in de bouw. Van het in Nederland toegepaste staal wordt 95% hergebruikt – een prachtig percentage. De metaalindustrie gebruikt dat getal ook als zodanig om aan te geven dat het met de milieubelasting zo’n vaart niet loopt. Maar: we hebben in Nederland veel meer staal nodig dan er uit recycling komt. Uiteindelijk is zodoende maar 12 procent hergebruikt staal; de rest komt overal vandaan, ook uit gebieden waar duurzaamheid geen enkele rol speelt.’
En andere gangbare bouwproducten?
‘In de Nederlandse bouwpraktijk worden vaak kalkzandsteen en cellenbeton toegepast. Beide behoren in de milieuclassificatie die we bij NIBE hanteren tot de betere steenachtige bouwproducten. Het kan duurzamer, maar ook een heel stuk slechter. In het algemeen geldt: hoe lichter het product, des te minder de milieubelasting. Desondanks heeft met name cellenbeton een recycleprobleem gehad – een probleem dat in de industrie is onderkend. Inmiddels wordt het afval uit het productieproces hergebruikt. Een in duurzaam opzicht aantrekkelijke, maar economisch minder interessante vervolgstap is het inzamelen en recyclen van in het bouwproces gebruikt cellenbeton. Ook hier zijn reeds de eerste stappen gezet. De vraag die producent en afnemer zich moeten stellen, is wat prevaleert: economie of ecologie.’
Stel, van alle bouwproducten is de milieubelasting bekend. Is het mogelijk een gebouw neer te zetten dat het milieu op geen enkele manier belast?
‘In de huidige bouwpraktijk niet. We zijn technisch in staat een gebouw zodanig energiezuinig te maken dat de restbehoefte volledig duurzaam kan worden opgewekt – nul-energie dus. Daarmee hebben we 80 procent van de milieubelasting te pakken. De overige 20 procent is materiaal- en een fractie waterverbruik. Omdat je simpelweg voor elk gebouw materialen nodig hebt, is het daar nog niet gelukt de nul te benaderen of te overschrijden. Wil je die grens over, dan zou je kunnen denken aan het toepassen van nagroeibare materialen zoals leem en stro, maar daarmee lopen we voorlopig nog vast bij de praktische uitvoering. Ik denk dat we het daarom ook moeten zoeken in compensatie. Bijvoorbeeld door ecologisch verantwoorde bouwmaterialen te gebruiken en daarbij te zoeken naar mogelijkheden om gewassen tegen de gevel te laten groeien die als basis kunnen dienen voor nieuwe bouwmaterialen. Zover zijn we nog lang niet; dat vraagt inzet en onderzoek. Voorlopig ben ik al blij met het feit dat in de bouwkolom het besef groeit van verantwoordelijkheid jegens de samenleving.’